Verwilderingtips


Veel van onze bijzondere bloembollen zijn geschikt voor verwildering.

Ieder bol- of knolgewas heeft - wil het zich optimaal kunnen ontwikkelen - zijn eigen standplaats nodig, waar de planten ongestoord kunnen groeien om zich vervolgens in alle rust te kunnen terugtrekken, zonder dat het voor de plant zo onmisbare blad tijdens het geel worden voortijdig wordt afgesneden. Belangrijk is voorts, dat gedurende de periode dat het blad zich heeft teruggetrokken, de ondergrondse delen een rusttijd doormaken. Zo worden crocussen bij voorbaat in grote getalen in gazons geplant waar ze zich dan ook heel goed thuis voelen en zich ook kunnen handhaven, mede door het feit dat de grond gedurende de rustperiode van de knollen, tamelijk droog is. Voorwaarde is dan wel dat het blad volledig kan uitrijpen en het gras dat in het voorjaar, nadat de bollen hun bloemenpracht hebben laten zien, niet wordt gemaaid. Voor velen is het nogal moeilijk de maaimachine of schaar niet te gebruiken om zodoende een eind te maken aan de nogal rommelige indruk die een niet gemaaid gazon biedt. 
 
Na de bloei neemt de bladontwikkeling sterk toe en wordt tevens zaad gevormd dat ruimschoots de gelegenheid moet krijgen uit te rijpen. De zaden die tussen de planten vallen zullen daar een goede voedingsbodem vinden om te kiemen met als gevolg een toename van het aantal en op den duur dus ook aanzienlijk meer bloemen.
Uitzonderingen
Niet alle bol- en knolgewasssen die na eens te zijn geplant en aan hun lot worden overgelaten, hebben het vermogen jaarlijks opnieuw uitbundig te bloeien en zich daarnaast nogeens te vermeerderen. Door uitgebreid onderzoek in de laatste jaren zijn we tot de conclusie gekomen dat veel bloembollen geschikt zijn voor meerjarenbloei mits geplant in een lichte en zonnige omgeving. Uiteraard zijn dat de bekende Allium, Anemone, Chionodoxa, Corydalis, Cyclamen, Fritillaria, Krokus, Narcis, Muscari, Scilla, Triteleia etc..
Standplaatsen
Voor de verwildering van bloembollen komen een aantal specifieke, voor dit doel zeer geschikte, plaatsen in aanmerking. Afgezien van het feit dat ze een voldoende groot oppervlak dienen te beslaan, moeten ze ook vanuit diverse gezichtsvelden te overzien zijn. Grasvelden zijn zeer geschikt. Daarnaast komen eveneens brede randen langs heestergroepen in aanmerking. Een bosachtig deel van de tuin kan aanmerkelijk verlevendigd worden met het aanbrengen van een massale beplanting van de daar van nature thuishorende soorten. 
 
Grondbewerking 
Alvorens tot planten over te gaan dient nagegaan te worden in hoeverre het perceel geschikt is voor de verwildering van bloembollen. De waterhuishouding, humusgehalte en de zuurgraad (pH) spelen hierbij een belangrijke rol. Blijkt de drainage niet goed te functioneren, dan moet dit verholpen worden. Het humusgehalte wordt verhoogd door het aanbrengen van organische meststoffen en/of compost. Dit is ook uitstekend geschikt voor de zwaardere leem en kleigronden. De pH, die om en nabij de 6 -6,5 moet liggen, kan verhoogd worden door het opbrengen van kalk. Verlaagd wordt het door het toevoegen van turfmolm.

Bemesting 
Een bemesting op maat voorkomt dat planten ziek worden en gevoelig worden voor ziekten en plaagdieren, dit resulteert in minder gebruik van bestrijdingsmiddelen. Een juiste bemesting zorgt ook voor een goede bodemstructuur.

Er is keuze uit diverse meststoffen:

  • Compost en dierlijke mest. Dit zijn organische meststoffen. Het zijn, zoals eerder beschreven, ook goede bodemverbeteraars.

  • Natuurlijke meststoffen die als aanvulling op organische mest worden gegeven.

  • Kunstmest.

Het te kiezen type bemesting hangt af van het type beplanting en het tijdstip dat er bemest kan worden. Planten en bloembollen die uit zichzelf vermeerderen staan op hun natuurlijke standplaats. De natuur is hier in balans. De grondsoort, structuur, waterhuishouding en beplanting sluiten hier prima op elkaar aan. Het is niet gebruikelijk om in een balanssituatie bij te mesten. 

Mogelijk blijkt uit een aantal verschijnselen (vaak zichtbaar in het blad van planten) dat er een tekort is aan een bepaalde voedingsstof. Dan is het gebruik van aanvullende meststoffen een aanbeveling. Deze meststoffen moeten organisch zijn en passen daardoor beter in de natuurlijke omgeving waar de planten zich in bevinden.

Aanvullende meststoffen vullen specifieke tekorten in de plantenvoeding uit organische meststoffen aan, zoals fosformeststof (fosfor) en vinassekali (kali: afvalproduct uit de voedingsindustrie). Tot slot zijn er meststoffen met kalk, zoals maërl (koraal- algenkalk), die de zuurgraad van de bodem regelen.

Indien deze toepassing één keer per jaar wordt uitgevoerd dan is het voor de bloembollen van belang dat deze bemesting direct na de bloei plaatsvindt.

Maaien 
De in gras geplante bollen kunnen pas gemaaid worden, zodra de bovengrondse delen van de bol geheel zijn afgestorven. Als regel voor het maaien wordt aangehouden dat daarmee gemiddeld 6 tot 8 weken na de bloeiperiode kan worden begonnen.